Door de afsluiting van het Haringvliet in 1970 verdwenen het zoute water, de grootste getijdewerking, en ook bepaalde vissoorten uit de Nederlandse wateren. Het Kierbesluit moet vismigratie weer mogelijk maken door de sluizen deels ook met vloed open te zetten, binnen randvoorwaarden voor waterveiligheid, zoetwatervoorziening en scheepvaart. Het zoet-zout ‘gedrag’ in het Haringvliet onder verschillende omstandigheden kent op dit moment echter nog onzekerheden. Er was nagenoeg geen ervaring mee, waardoor nog belangrijke kennis ontbreekt, bijvoorbeeld om met modellen vooraf mogelijke scenario’s te kunnen analyseren.
Het was dan ook niet mogelijk a priori een operationeel programma vast te stellen dat de vereiste zekerheid levert met betrekking tot de zoetwatervoorziening. Zo was de verwachting dat het zoute water zich vooral via de diepere delen (bijvoorbeeld de oude getijdegeulen) van het Haringvliet zou verplaatsen. Het was echter nog onduidelijk met welke (rivier)afvoer de ligging van de zoet-zout overgang onder verschillende omstandigheden kan worden gestuurd, vooral in de diepere delen.